• Linde

De Ascetische Strijd Van Edward Poppe (en Die Van Een Moeder)

Bijgewerkt op: 9 sep 2020

Een vraag die me dikwijls bezighoudt is of de hedendaagse mens 'slap' geworden is in vergelijking met zijn voorgangers. Waren onze voorouders niet in staat tot het dapper dragen van veel meer leed en tegenslagen dan wij? Zijn we lammelingen geworden, slapjanussen, lulletjes rozenwater? Ik vind het keer op keer een leerschool om getuigenissen te lezen uit het verleden, van mensen die in (veel) zwaardere materiële omstandigheden moesten leven dan wij.



Hier wil ik het onderwerp van sterkte en dapperheid graag toepassen op de ascetische strijd.


Voor de niet-gelovige lezers: de ‘ascetische strijd’ is een concept dat wellicht oud in de oren klinkt, maar in feite eeuwig nieuw is. Ik probeer het hier kort (en hopelijk niet in het equivalent van Yuebeituhua-Chinees) uit te leggen.


De ascetische strijd: wat in ’s hemelsnaam?


Meest eenvoudig is om te verwijzen naar Jezus’ woorden in het Evangelie van Lucas: ‘Wie Mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden.’ (Lc. 9:23-24)


De ascetische strijd gaat om zichzelf dingen ontzeggen, tegen sommige zaken neen zeggen, niet alles doen waar we op dat ogenblik zin in hebben. Men spreekt tevens over het doen van vrijwillige ‘verstervingen’ – letterlijk een beetje sterven aan zichzelf. Een voor de hand liggend voorbeeld is versterving in eten en drinken, maar het bestrijkt eigenlijk alle domeinen van het leven; een glimlach op de mond toveren tijdens een lastige dag kan een van de moeilijkste vormen van versterving zijn.


Waarom is ‘ie nodig, die ascetische strijd? Ik verwees al naar de woorden van de Meester zelf (als we Hem wensen te volgen kunnen we er dus sowieso niet omheen), maar er is ook een antropologische reden.


Onze default setting is er immers één van zucht naar comfort en luiheid. Onze natuurlijke tendens, de gesteldheid wanneer we niets doen, is om van God af te dwalen. Naar God terugkeren, het goede doen, vergt strijd. Het komt niet automatisch, er zijn daden voor nodig, akten van de wil.


Vergelijk het met een topsporter die zich heel wat dingen ontzegt (lang uitgaan, alcohol drinken, bepaalde voedingswaren eten) om fit en monter op de wedstrijd te kunnen verschijnen. Het doel is ook hier geheel positief: de ascetische strijd leidt tot een frisse en flexibele geest. Alleen gaat het hier om het opgeven van bepaalde zaken ter wille van de eeuwige goederen (de hemel, het koninkrijk Gods).


Het ascetische programma van Edward Poppe in februari 1917


Terug naar de causa van deze blogpost.


De aanleiding voor deze post was een passage uit het werk van Edward Poppe dat ik aan het lezen ben. Edward Poppe was een Vlaamsgezind en sociaalvoelend priester die leefde aan het begin van de 20ste eeuw, en op 3 oktober 1999 zalig werd verklaard. In 1917, toen hij onderpastoor was van de Gentse werkliedenparochie Sint-Coleta, stippelde hij het volgende ascetische programma uit voor zichzelf:


- voor de rest van uw leven geen matras meer, maar een strozak; - kamer moet armoedig zijn, de lavabo met spiegel moet verdwijnen; - aan tafel permanente versterving: eet meer wat ge niet lust (bijvoorbeeld snoek), minder waar ge trek in hebt (bijvoorbeeld rijstpap); - gebruik nooit zout; - laat uw pijp eens liggen; - weeg zwijgzaam met de huishoudster.’


(notitie van 5 januari 1917, weergave door Karl Weekers (2001))


Dit raakte me. Ik kon me gewoonweg niet voorstellen dat ik in staat zou zijn tot zo’n grote verstervingen. Het uitzetten van de airco tijdens een matig warme nacht leek me al heldhaftig. Rijstpap nuttigen kwam me eerder voor als een versterving op zich in vergelijking met de exquisiete desserts waar we nu toegang toe hebben. Slapen zonder matras, de lavabo in onze badkamer uitbreken? Ik vroeg me af: kan ik zijn voorbeeld navolgen zonder zulke vergaande ascetische praktijken?


En toen kwam plots een inzicht, toen kon ik plots een verband leggen. Want die nacht had ik voor de derde nacht op rij heel slecht geslapen. Typisch einde-zwangerschaps-fenomeen: de eerste nachten door kramp in de voet, en nu gewoon onverklaarbaar door alles (te warm, te veel lawaai, onrustig en maar half slapen), waarbij ik uiteindelijk om 4:00 ’s nachts onder de dekens naar kleuteronderwijsfilmpjes op instagram zat te kijken om die lange zwarte nacht door te komen. Eén van de vele gedachten die toen mijn hoofd binnensijpelden: waarom doe ik dit toch, waarom kies ik ervoor om zwanger te zijn, ik zou het mezelf zoveel gemakkelijker kunnen maken – even een kinderstop!


Geïnspireerd door het voorbeeld van radicale armoede van de zalige Edward Poppe dacht ik nu echter: dit is mijn ascetische strijd. God verlangt dat ik dit soort lasten van de zwangerschap geduldig verdraag en opdraag. Verder moet ik het momenteel niet zoeken.


Het ascetische programma van Linde in september 2020


En dus heb ik een lijst opgesteld van 4 verstervingen eigen aan mijn huidige toestand als moeder en zwangere vrouw.


  1. Slapeloze nachten accepteren zonder in opstand te komen. Er daags nadien niet over klagen (is het zelfs mogelijk?).

  2. De moeheid omarmen.

  3. Niet chagrijnig worden bij het verversen van een ‘bompamper’ zoals Eleonor zo goed beschreef (tegenwoordig zitten we met Theodoor in de vreselijkste fase denk ik, ik zal jullie de details besparen).

  4. Tevreden zijn met een sober maal ’s middags. U moet weten beste lezer, dat een ‘sober maal’ bij ons al helemaal niet zo sober is naar historische normen: brood van de bakker met verse soep. Toch verval ik telkens opnieuw in de neiging dit te saai en te eentonig en te weinig ‘nès’ te vinden (woord met Engelse roots voor zacht, een beetje vochtig, hartig). Dus begin ik er voor ik het goed en wel besef allemaal dingen bij te bricoleren: een sappig slaatje, wat gekookte groenten als ‘side-dish’ (en dan moet er toch zeker kaas bij en kan het geheel niet ook nog even in de oven?). Tot je eigenlijk twee keer per dag aan het koken bent.



Het martelaarschap van iedere dag


Kwestie van de geestelijke nalatenschap van priester Poppe geen geweld aan te doen, wil ik graag nog een ander stuk van zijn hand citeren. Verderop in zijn leven schrijft hij immers over de zelfverloochening in de kleine moeilijkheden van iedere dag; met andere woorden, hij zou zeker niet beweren dat die spectaculaire praktijken van zelfverloochening de enige weg naar de hemel zijn.


Heer, voor mij geen ander martelaarschap vooralsnog, dan dit van de volmaakte naleving van mijn dagelijkse plichten; geen andere versterving dan deze die de omgang met lastige, ondankbare en onredelijke mensen mij elk ogenblik in staat stelt te verrichten.

Velen verlangen naar de marteldood. Maar zij verwerpen het martelaarschap van de dagelijkse moeilijkheden, van de alledaagse plichten. Illusie, velen wensen een leven van buitengewone opofferingen, maar brengen het kleine offer niet: het zwijgen over de gebreken van anderen, in het onderhouden van regel en tucht, in het volledig vergeven van onaangename woorden of boze behandelingen!


(geestelijk notitieboekje van juli 1917; weergave Karl Weekers (2001))

Tot slot nog dit. Ik geloof persoonlijk – omdat ik het zo ondervonden heb – dat het altijd waardevol blijft ook actief aan (kleine vormen van) zelfverloochening te doen, zelfs al is onze situatie objectief gezien nog zo lastig. Want de ascetische strijd is werkelijk een training van de geest. Als we kleine takjes in het vuur kunnen gooien, blijft het vuur brandend.


Ik eindig met twee raadgevingen van heilige personen over dit belangrijke thema.


Als je geen versterving doet, word je nooit een mens van gebed.’


(H. Josemarià Escrivà in De Weg, punt 172 – de ascetische strijd is dus innig verbonden met het gebedsleven; ziel van gebed worden hangt samen met ziel van versterving worden, het een kan niet zonder het ander!)


Lees: De noodzaak van gebed en stilte



Hoe komt het dat zoveel mensen lange novenen doen, veel bidden, veel communiceren [bedoeld wordt te Communie gaan in de H. Mis, noot van Linde] en toch niet tot de gewenste bekering komen? Hoe komt het dat sommige geestelijke personen zoveel bidden en communiceren en toch altijd even opvliegend, even nalatig, even verstrooid, even onvolmaakt blijven? Is het niet omdat zij de genade niet gebruiken om versterving te doen, om edelmoedig te zijn? Zwijgen als ik onverdiend een berisping krijg, is mij lastiger dan een Rozenkrans bidden; gelijk hebben en ongelijk krijgen is veel moeilijker te aanvaarden dan lange gebeden zeggen. Lijden door ziekte en niet klagen is een heldhaftige versterving. De plichten van onze staat, de Regel van het huis volmaakt onderhouden en met liefde, dat alles is een voortdurende versterving. Beminde zuster, laten wij door versterving en lijden de genade van onze Communies en gebeden benutten.’


(opmerkelijk: de zalige priester Poppe ziet versterving dus als een soort ‘activeringsvoorwaarde’ voor de genade. Brief aan zuster Marie-Désirée, eind februari 1917, weergave door Karl Weekers (2001))


Meer weten? Luister naar deze fantastische podcast over de innerlijke strijd van het St. Josemaria Institute (een podcast om traag en al biddend te beluisteren).


Tot binnenkort,

Linde.


Dank je, lieve lezer, om deze blog door te nemen! Je kan me helpen om de blog te verspreiden naar meer en meer mensen door op het hartje te klikken, een reactie toe te voegen (helaas is daar inloggen voor nodig), naar hem te linken op je eigen webpagina, of hem te delen op social media via de knoppen hieronder. En Ons Thuis te volgen op Facebook natuurlijk!
 

196 keer bekeken1 reactie

Recente blogposts

Alles weergeven